The dance of life

Het begrip tijd als verbindend vermogen

In mijn naspeuringen over het fenomeen ‘tijd’, werd ik geattendeerd op de cultureel antropoloog
Edward T. Hall. Hall publiceerde in 1983 The Dance of Life, the other dimension of time.

This book studies how people are tied together and yet isolated by hidden threads of rhythm and walls of time. Time is treated as a language, organizer, and message system revealing people’s feelings about each other and reflecting differences between cultures. Bron: Amazon

Hall onderscheidt onder meer zeven verschillende vormen van cultureel bepaalde tijdbeleving, die groepen mensen kunnen verbinden. Een interessante gedachte!

Ik heb het boek (nog) niet gelezen en kan daardoor op dit moment geen nadere informatie geven. Wellicht kan een lezer mij op het spoor zetten.

© Frank van Exter

Advertenties

De paradoxen van Zeno

Zeno van Elea

Zeno van Elea leefde in de vijfde eeuw vóór Christus (BCE). Hij was de eerste filosoof die aantoonde dat ruimte en tijd oneindig deelbaar zijn. In zijn paradoxen confronteerde hij niet alleen zijn tijdgenoten met deze tegenstrijdigheden, maar ook heden ten dage worden er nog hele bibliotheken volgeschreven over de oneindige deling van 'ruimte en tijd', voornamelijk door filosofen.

Er zijn meerdere paradoxen van Zeno bekend, waarvan de eerste vier over beweging gaan:

  • Achilles
  • Dichotomie
  • De pijl
  • De bewegende rijen

We hebben van deze paradoxen indirect kennis kunnen nemen. Voornamelijk door het aanhalen en becommentariëren door Aristoteles (384-322 BCE), maar ook door Plato (427-347 BCE), Proclus (410-485 CE) en Simplicius (490-560 CE). De namen van de paradoxen zijn door de commentatoren gegeven en niet door Zeno.

Parmenides

Hoewel dit niet zeker is, wordt algemeen aangenomen dat Zeno met zijn paradoxen de ideeën van zijn tijdgenoot en wellicht zijn leermeester Parmenides wilde ondersteunen.
Parmenides van Elea (rond 540 BCE) was een Griekse filosoof die tot de pre-socraten wordt gerekend. Hij stelde 'waarheid' en 'weten' tegenover 'schijn' en 'voorstelling'.

“Alles staat stil,” argumenteerde Parmenides.
“Immers: het zijnde is, en het niet-zijnde is niet. Volheid maakt beweging onmogelijk. Voor beweging is dus een lege ruimte nodig. Maar: lege ruimte is het niet-zijnde en bestaat dus niet.”

Zijn conclusie was zo sterk in tegenspraak met de alledaagse ervaring, dat zij niet waar kón zijn. Toch was er geen speld tussen te krijgen. En áls iemand dat toch probeerde, dan kreeg hij al snel te maken met een van de scherpzinnige paradoxen van Zeno.

“Een lichaam dat op een plaats is die aan zijn volume gelijk is, is in rust. Een pijl die voort vliegt, is ieder ogenblik op een plaats die gelijk is aan zijn volume. Op ieder ogenblik is de pijl dus in rust. Als we al deze ogenblikken bij elkaar optellen, dan blijkt dat de pijl steeds in rust is geweest.”

Zeno’s paradox van de pijl kon door geen enkele wijsgeer worden weersproken.

Drogreden

Iedereen kon aanvoelen dat Zeno’s redenering op een drogreden berustte, maar niemand kon precies aangeven waar zijn fout zat. Alle pogingen van de Grieken om het ongelijk van Parmenides en Zeno aan te tonen, leidden tot nieuwe dwaalsporen.
Enerzijds resulteerden ze in speciaal hiervoor ontworpen principes als ‘het niets bestaat evengoed als het iets’, anderzijds in het filosofisch systeem van Aristoteles (384-322 BCE). Dat zat zo gedegen in elkaar, dat het de westerse wereld vijftien eeuwen zou kosten om er zich aan te ontworstelen.

De bekendste paradox van Zeno is die van Achilles en de schildpad:
Het verhaal toont aan dat het opdelen van een probleem in deelproblemen niet altijd leidt tot een resultaat dat overeenkomt met ons gezond verstand.

Achilles en de schildpad

(bron: Wikipedia

De snelvoetige Achilles – hij is de belangrijkste held uit de Trojaanse oorlog en de hoofdpersoon in het boek van Homerus, Ilias. Homerus beschrijft de held als de schoonste, de dapperste, sterkste en verhevenste van alle helden – gaat een wedstrijd aan met een schildpad. De schildpad krijgt een voorsprong. Wanneer Achilles het punt A bereikt, waar de schildpad kort tevoren was, is de schildpad intussen bij punt B aangekomen. Arriveert Achilles bij dit punt B, dan is de schildpad intussen aangekomen bij punt C, enzovoorts.

De schildpad daagde Achilles uit voor een hardloopwedstrijd. Hij beweerde dat hij zou winnen als Achilles hem een kleine voorsprong gaf. Achilles moest lachen, want hij was natuurlijk een machtige strijder, snel van voet, terwijl de schildpad zwaar en langzaam was.

“Hoeveel voorsprong?” vroeg hij de Schildpad met een glimlach.
“Tien meter,” antwoordde deze.
Achilles lachtte harder dan ooit.
“Dan ga jij zeker verliezen vriend”, vertelde hij de Schildpad,
“maar laten we vooral rennen, als je dat graag wilt.”
“In tegendeel,” zei de Schildpad,
“ik zal winnen, en ik kan het je met een eenvoudige redenering bewijzen.”
“Kom op dan,” antwoordde Achilles, die al iets minder vertrouwen voelde dan eerst.

Hij wist dat hij de superieure atleet was, maar hij wist ook dat de Schildpad een scherper verstand had, en dat hij al vaak een discussie met het dier had verloren.

“Veronderstel,” begon de Schildpad,
“dat u me een voorsprong van 10 meter geeft. Zou u zeggen dat u die 10 meters tussen ons snel kunt afleggen?”
“Zeer snel,” bevestigde Achilles.
“En hoeveel meter heb ik in die tijd afgelegd, denkt u?”
“Misschien een meter, niet meer,” zei Achilles na even nagedacht te hebben.
“Zeer goed,” antwoordde de Schildpad,
“dus nu is er een meter afstand tussen ons. En zou u die achterstand snel inlopen?”
“Zeer snel inderdaad!”
“En toch zal ik in die tijd verder gegaan zijn, zodat u DIE afstand moet inhalen, ja?”
“Eeh ja” zei Achilles langzaam.
“En terwijl u dat doet, zal ik een stukje verder gegaan zijn, zodat u steeds een nieuwe achterstand moet inlopen” ging de Schildpad stug door.
Achilles zei niets.
“En zo ziet u, elke periode dat u bezig bent uw achterstand in te halen, zal ik gebruiken om een nieuwe afstand, hoe klein ook, aan die achterstand toe te voegen.”
“Inderdaad, daar valt geen speld tussen te krijgen,” antwoordde Achilles, nu al vermoeid.
“En zo kunt u nooit de achterstand inlopen,” besloot de Schildpad met een sympathieke glimlach.
“U heeft gelijk, zoals altijd,” besloot Achilles droevig – en gaf de race gewonnen.

De achterstand wordt steeds kleiner, maar Achilles haalt de schildpad nooit in. Dit is een paradox, want in werkelijkheid zou Achilles de schildpad natuurlijk wél inhalen.

De paradox weerlegd

De Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) leverde dat bewijs. Leibniz ontwikkelde de differentiaal- en integraalrekening. En het was met déze wetenschap dat het begrip beweging voor het eerst glashelder kon worden beschreven als een variabele functie van plaats en tijd: De som van een reeks oneindige limieten is eindig.
Zo leidde de eerste paradox uit de geschiedenis uiteindelijk tot een vernieuwing van de wiskunde.

© Frank van Exter

De morfologische velden van Rupert Sheldrake

Rupert Shedrake

Rupert Sheldrake (28 juni 1942) is een Engels doctor in de celbiologie en auteur van vele boeken. Sheldrake kwam in de jaren 90 sterk in het nieuws als een van de deelnemers aan het spraakmakende VPRO-programma Een schitterend ongeluk van Wim Kayzer. Hij heeft het concept morfisch veld verder ontwikkeld, gebaseerd op het oudere begrip morfogenetische velden. Dit begrip werd eerder gebruikt door T.H. Huxley en de Franse filosoof Henri Bergson via het begrip ‘noösfeer’ van de paleontoloog/jezuïet Teilhard de Chardin.

Hij heeft onderzoek gedaan naar en geschreven over onder andere de ontwikkeling en het gedrag van dieren en planten, telepathie, perceptie en metafysica. Hij heeft zijn focus speciaal gericht op die vraagstukken die (nog) geen oplossing hebben gevonden, zoals het gedrag en de communicatie onderling van mieren, duiven die hun hok terug vinden, honden die de thuiskomst van hun baas ‘weten’, etc. Hij doet dit door fundamenteel experimenteel onderzoek met een zeer beperkt budget. Sheldrake is afgestudeerd en gepromoveerd aan de Universiteit van Cambridge.

Een onorthodoxe wetenschapper

Rupert Sheldrake is een bijzondere wetenschapper met onorthodoxe denkbeelden. Bewonderd door vele tijdgenoten, maar ook verguisd als pseudo-wetenschapper, die geen toetsbaar bewijsmateriaal aandraagt voor zijn stellingen. Maar zijn opvattingen stemmen wél tot nadenken over wezenlijke vraagstukken. In zijn boek Zeven experimenten die de wereld kunnen veranderen bepleit Sheldrake fundamenteel onderzoek om antwoorden te vinden op de volgende vraagstukken:

  • Huisdieren bezitten het vermogen om de thuiskomst van hun baasje aan te voelen.
  • Duiven kunnen hun thuis terugvinden, zelfs als hun til verplaatst wordt
  • Groepen blinde termieten bezitten het vermogen om te communiceren over de bouw van hun heuvel
  • Mensen voelen aan wanneer ze van achteren bekeken worden
  • Mensen met geamputeerde ledematen, voelen soms nog pijn in hun weggenomen lichaamsdeel. Is deze pijn echt of verbeelding?
  • Is het mogelijk dat de fundamentele constanten in de huidige wetenschap toch niet zo constant zijn?
  • De verwachting van de onderzoeker van een psychologisch verschijnsel kan de resultaten beïnvloeden; is dit ook zo bij de exacte wetenschap?

Het morfologische veld

Een morfisch veld (Engels: morphic field) is een door de Britse wetenschapper Rupert Sheldrake geïntroduceerd begrip waaraan de theorie van morfische resonantie gekoppeld is. Deze hypothese is gebaseerd op de veldtheorie waarbij een holistische benadering wordt gebruikt.

De theorie stelt dat er uitwisseling van informatie door groepen van gelijkaardige morfische eenheden plaats vindt, via morfische velden, die een collectief geheugen vormen. De term morfisch veld omvat morfogenetische, gedrags-, sociale-, culturele- en geestelijke velden.

Michael Faraday was, in de jaren 1840, de eerste die het veldbegrip in de wetenschap gebruikte, en wel in verband met elektriciteit en magnetisme. Cruciaal was zijn inzicht dat we onze aandacht niet moeten richten op een energiebron, maar op de ruimte er om heen. De theorie rond de morfische velden richt zich op de vraagstukken rond gewoontevorming in de natuur zoals: kristalvorming, de oriëntatie van duiven op de weg terug naar hun hok, het termietengedrag voor het bouwen van burchten, onderzoek naar fantoomledematen en waarom honden weten wanneer hun baasje in aantocht is, of hoe een persoon "voelt" dat er iemand naar deze persoon staart.

Collectief geheugen

Nu we de theorie kennen achter het morfologische veld, durven we, niet gehinderd door kritische wetenschappers, het ‘collectieve geheugen in ruimte en tijd’ door te trekken naar onze eerdere beschouwing over synchroniciteit. Als er inderdaad sprake is van een collectief onderbewustzijn (Carl Gustav Jung), dan zou de morfologische veldtheorie de oorzaak kunnen zijn van synchroniciteit, van zinvol toeval.

Volgens sommigen heeft synchroniciteit haar wortels in de kwantumfysica; experimenten tonen namelijk aan dat er in werkelijkheid nauwelijks scheiding tussen materie bestaat. Alles is op alle niveaus een constant bewegend web van informatie, dat uiterst gevoelig is voor de bewegingen van ander delen van zichzelf. Zo kunnen twee fotonen door een enorme afstand gescheiden zijn, maar kan een verandering in het ene foton toch een gelijktijdige verandering in het andere bewerkstelligen.

De sleutel is wellicht correlatie in plaats van causaliteit. Twee gebeurtenissen kunnen verbonden zijn zonder een ‘oorzaak-gevolg’ relatie te hebben. Er is geen duidelijke grens tussen synchroniciteit en intuïtie; soms lijkt het alsof beide aan het werk zijn. Intuïtie kan u in en bepaalde richting leiden, maar meestal geeft ook het universum u een duwtje in de rug. Er zijn blijkbaar zowel interne als externe gebeurtenissen die op een of andere manier samenwerken. Er wordt gezegd dat alleen degenen die voor synchroniciteit openstaan dit ervaren. Hoe meer iemand zich er bewust van wordt, des te vaker het voorkomt. Wellicht dat dit artikel over Rupert Sheldrake en de blog post over synchroniciteit ook een duwtje geeft.

Bronnen

Wikipedia

Loesje.info

© Frank van Exter

Zinvol toeval

Een intrigerende vraag

Een vriendin van ons keek onlangs naar het TV-programma van en over Freek de Jonge op de VPRO. Het was een uitzending die de volgende dag een vervolg zou krijgen en ze vroeg zich af hoe Freek er de volgende dag uit zou zien. Later die dag ging ze werken op haar computer, waarbij ze de ingeving kreeg de naam van een oude vriendin te Googlen. Een vriendin die ze al tientallen jaren uit het oog was verloren en aan wie ze eigenlijk nooit meer dacht. De zoektocht eindigde in het gastenboek van Hella Jongerius, de vrouw van Freek. Daarin had de ‘verloren vriendin’ jaren geleden een boodschap achtergelaten: “Ik ga morgen naar een optreden van Freek. Benieuwd wat voor fraais je nu weer voor hem ontworpen hebt”. Onze vriendin vond dit zo toevallig, dat ze het aan ons vertelde. Het werpt de vraag op of dit toeval is of is er sprake van iets anders?

Ignatius van Loyola

Wie daar niet aan twijfelde, was Ignatius van Loyala (1491-1556), de stichter van de jezuïetenorde. Ignatius zag achter veel gebeurtenissen de wil van God en was daar ook voortdurend naar op zoek.
Zo reed hij op een dag op zijn ezel toen er een Moor naast hem kwam rijden die hem zwaar beledigde. Ignatius wilde de Moor wel aan zijn dolk rijgen, maar was er niet zeker van of God daarmee instemde. Hij besloot zijn ezel bij de volgende wegsplitsing de vrije teugel te geven. Als het dier dezelfde weg zou kiezen als de Moor, was dat een teken om hem dood te steken. Op deze wijze ontdekte Ignatius dat het Gods Wil was om de Moor te laten leven.

Prof. Dr. Paul de Chavigny de Blot SJ Lic. Ph.

https://i0.wp.com/f.cl.ly/items/3N040L0X2r0R3M091N2i/Untitled.png
Deze anekdote wordt verteld door de bejaarde jezuïet Paul de Chavigny de Blot (geb. 1924), sinds 2006 hoogleraar Spiritueel Management aan de Nyenrode Business Universiteit. In zijn oratie ontvouwde hij zijn visie:

In elke medewerker zijn innerlijke zekerheden nodig, ontstaan vanuit een spirituele visie, geworteld in een gemeenschappelijke spirituele bron van ondernemingsvisie en corporatieve spiritualiteit.

Pater de Blot definieert het begrip ‘spiritualiteit’ als:

Innerlijke ervaring die mijzelf overstijgt, richting geeft aan mijn leven en mijn bestaan zinvol maakt’. Spiritualiteit heeft evenals religie betrekking op een bovennatuurlijke of niet-empirische werkelijkheid. Maar het zou dom zijn om het religie te noemen, want dat woord roept bij velen negatieve associaties op. Het doet denken aan dogmatisch leergezag, starre regels, lege rituelen en conflicten met andersdenkenden. Spiritualiteit klinkt veel beter en kan voor iedereen wat anders betekenen. Het is vaak een soort religie à la carte, waarbij men vrijelijk elementen kan overnemen uit diverse religieuze en occulte tradities. De nadruk ligt op individuele ervaringen en persoonlijke groei. Spiritualiteit wordt gewoonlijk aangeboden in de vorm van cursussen of seminars. Het is een product dat verhandeld kan worden, een soort rebranding van religie, die goed past binnen het marktdenken. Gods Wil is niet iets waar moderne managers mee uit de voeten kunnen.

Zinvol toeval

Maar dat is geen probleem omdat we volgens De Blot evengoed kunnen spreken over ‘zinvol toeval’, een betekenisvolle samenloop van omstandigheden die zich niet rationeel laat verklaren. Ignatius liet zich dikwijls leiden door het toeval en maakte optimaal gebruik van mogelijkheden die zich toevallig voordeden. Dit is ook weggelegd voor spirituele managers, die niet alles rationeel willen plannen. De Blot verwijst daarbij naar het boek Management met synchroniciteit van dr. Ruud Heijblom (2005), die hierover ook een hoofdstuk schreef in De brug naar business spiritualiteit (2006), een uitgave van Nyenrode.
‘Synchronisch management is momentmanagement: "het juiste moment waarin de dingen tezamen komen gezien je bestemming" aldus De Blot.

Synchroniciteit

De term synchroniciteit werd oorspronkelijk bedacht door de psychiater Carl Gustav Jung. Hij merkte op dat een innerlijke voorstelling of gedachte een opvallende overeenkomst kan vertonen met een uiterlijke gebeurtenis, zonder dat er sprake is van een causaal verband. Zulke zinvolle coïncidenties treden volgens hem vooral op in crisissituaties, wanneer er sprake is van sterke archetypische emoties. Jung heeft het over niet aan ruimte of tijd gebonden zinvol toeval, dat zich zowel in de psyche van een persoon als in een concrete gebeurtenis uitdrukt, zonder dat die twee elkaar beïnvloeden. Magische krachten spelen daarbij geen rol, want zulke ideeën acht Jung kenmerkend voor de primitieve mens.

Ruud Heijblom

Ruud Heijblom beschouwt synchroniciteit als:

D{e verbinding tussen een innerlijke gedachte (intentie) en een uiterlijke manifestatie.

Externe omstandigheden kunnen onze intenties en gemoedstoestand reflecteren. Heijblom gelooft dat intenties een soort ‘magneetwerking’ hebben. Dingen komen niet toevallig op je pad. Ze hebben een bedoeling en kunnen je naar je bestemming leiden. Het is ‘alsof een grote onzichtbare hand iets naar je toestuurt’.
Betekenisvolle toevallen zijn naar zijn oordeel van belang voor managers omdat ze mogen worden gezien als een signaal dat men in de goede richting gaat. Als je het gevoel krijgt dat er een samenhangend patroon zit in toevallige gebeurtenissen en dat dingen onafwendbaar bij elkaar komen, dan weet je dat je een goede verbinding hebt met het krachtenveld.
Je mag er dan op vertrouwen dat je op het goede spoor zit en dat je intuïtief de juiste beslissingen neemt.

Is er méér dan toeval?

De vraag of er méér is dan toeval, wordt bevestigend beantwoord vanuit de religie en de spiritualiteit, waaraan Jung ook nog zijn visie toevoegt. Een andere vraag is of het in het begin van dit stukje beschreven ‘zinvolle toeval’ toegeschreven zou kunnen worden aan een vorm van helderziendheid.

Bronnen

© Frank van Exter

De filosofie van de hoop

Ernst Bloch

De Duitse filosoof Ernst Bloch (1885-1977) wordt wel de filosoof van de ‘hoop genoemd, omdat zijn originele denkbeelden veelal betrekking hebben op ‘hoop’. Hoop op een betere toekomst, hoop op een betere wereld en met name ook hoop in de zin van de verwezenlijking van idealen in het ‘niet-nu’.
Bloch heeft een utopische zienswijze, door zijn blik te richten op een betere wereld, een wereld van vrede en gerechtigheid. Bloch is niet alleen een marxistisch filosoof, maar ook een atheïstisch theoloog. Hij wilde de tegenstellingen tussen God en mens, hemel en aarde, christendom en atheïsme overbruggen.
In zijn eerste boek ‘Geist der Utopie’ (1918) formuleert Bloch de grondslag voor zijn latere oeuvre, met als belangrijkste werk de vijf delen van ‘Das Prinzip Hoffnung’ (1947).
In het eerste deel ‘Kleine Tagträume’ worden allerlei dagelijkse ervaringen beschreven die refereren aan ‘hopen’ en ‘verlangen’ naar ‘meer’ en ‘beter’. Dagdromen vormen voor Bloch het empirische materiaal voor de ‘nog-niet’ bestaande toekomst. Het tweede deel ‘Das antizipierende Bewusstsein’ vormt de wijsgerige onderbouwing van de utopische verwachtingen. De overige delen van de serie onderbouwen de verwachtingen verder.
Nog weer later postuleerde hij dat concentratie op succes op korte termijn gemakkelijk kan leiden tot het uit het oog verliezen van het uiteindelijke doel[^1].
Dat Bloch als filosoof van de hoop ook heden ten dage nog kan inspireren, bewijst de uitgave van het boek ‘Hoop’ (2009) geschreven door Ronald van der Vorst. Met het onderstaande citaat uit ‘Hoop’ wil ik afsluiten:

"Hoop is de remedie tegen apathie, tegen fatalisme, wanhoop, en is bovenal iets dat aangeleerd moet worden. Het is een onzeker gevoel en een voorbeeld van uitgestelde behoeftebevrediging."

Bronnen

  1. Interessant om over na te denken als je doelen nastreeft op basis van
    Getting Things Done (GTD)

© Frank van Exter

Het parallelle denken van Edward de Bono

Edward de Bono

Edward de Bono (Malta, 1933) is een Brits psycholoog, arts en managementauteur. Hij studeerde met een Rhodesbeurs aan de Universiteit van Oxford. Hij verzorgde colleges aan de universiteiten van Oxford, Cambridge, London en Harvard. Voor de BBC maakte hij de televisieserie The Bono’s Thinking Course en voor de Duitse WDR The Greatest Thinkers. De Bono bedacht onder andere de term ‘lateraal denken’ en het concept van de ‘zes gekleurde denkhoeden’. Voorbeelden van wat hij bereikt heeft met het lateraal denken concept zijn de Olympische Spelen in Los Angeles in 1984, de eerste spelen die winstgevend waren. De organisatiedirecteur Peter Ueberoth, schreef dit succes toe aan De Bono. Hetzelfde geldt voor John Bertrand, schipper in de America’s Cup.

Het parallelle denken

Parallel denken’ is een begrip, uitgevonden en uitgewerkt door Edward de Bono. Parallel denken is wel omschreven als een constructief alternatief voor de dialectische methode, waarin tegenstanders elkaar proberen te overtuigen van hun gelijk door zo veel mogelijk argumenten aan te dragen om de eigen visie te onderbouwen en die van hun opposant te weerleggen. Parallel denken is een verdere uitwerking van het begrip ‘lateraal denken’, eveneens door De Bono ontwikkeld. De nadruk ligt bij parallel denken nóg meer op dat wat kan zijn (alternatieve mogelijkheden) dan op dat wat is (rationeel af te leiden).

Parallel denken is een denkproces dat gelijktijdig focust op verschillende, vaak tegengestelde benaderingen van een probleem of vraagstuk. In een groep toegepast, wordt zo de dialectische benadering – die vaak leidt tot de vraag wie er gelijk heeft – effectief vermeden.

Alle deelnemers in het denkproces kunnen bijdragen aan het verkennen van het onderwerp, vanuit hun eigen kunde, kennis en ervaring. Belangrijk hierbij is dat ze in hun eigen ‘spoor’ blijven en zich niet laten verleiden inhoudelijk op de argumenten van hun ‘parallelle denkers’ in te gaan. Dit vereist wel de bereidheid om zich aan de regels te houden en iemand de verantwoordelijkheid te geven over de regie, om zó het denkproces te bewaken.

Samenvattend kunnen we stellen dat ‘parallel denken’ inhoudt, dat men zijn eigen mening kan laten bestaan naast de mening van een ander. We zijn van nature geneigd te denken in tegenstellingen. Jij zegt A, ik zeg B, dus jij hebt ongelijk. Maar stel nou dat we beiden gelijk hebben?

Een mooi voorbeeld hiervan vinden we bij de oude Romeinen, die hun god Janus afbeeldden met twee gezichten. Aan de twee kanten van de beeldenaar of het beeld zie je verschillende gezichten met verschillende gelaatsuitdrukkingen.. Zo wordt het moeilijk om van Janus – de god van het begin en het einde – een éénduidige beschrijving te geven.

Een voorbeeld van Edward de Bono: Een man liet de ene helft van zijn auto rood spuiten en de andere helft grijs. Hij vond het leuk als getuigen elkaar zouden tegenspreken wanneer hij betrokken zou raken bij een auto-ongeluk.

Bron

Wikipedia

Literatuur

Edward De Bono, Parallel thinking: from Socratic thinking to de Bono thinking, Viking 1994

© Frank van Exter

Het laterale denken van Edward de Bono

Biografie.

Edward de Bono (Malta, 1933) is een Brits psycholoog, arts en managementauteur. Hij studeerde met een Rhodesbeurs aan de Universiteit van Oxford. Hij verzorgde colleges aan de universiteiten van Oxford, Cambridge, London en Harvard. Voor de BBC maakte hij de televisieserie The Bono’s Thinking Course en voor de Duitse WDR The Greatest Thinkers. De Bono bedacht onder andere de term ‘lateraal denken’ en het concept van de ‘zes gekleurde denkhoeden’. Voorbeelden van wat hij bereikt heeft met het lateraal denken concept zijn de Olympische Spelen in Los Angeles in 1984, de eerste spelen die winstgevend waren. De organisatiedirecteur Peter Ueberoth, schreef dit succes toe aan De Bono. Hetzelfde geldt voor John Bertrand, schipper in de America’s Cup.

Edward de Bono is bekend als denker over het denken. Zowel het begrip ‘lateraal denken’ als de term ‘parallel denken’ worden aan hem toegeschreven, dan wel geperfectioneerd door hem, als methoden om anders te denken over problemen en vraagstukken.

Kenmerken van lateraal versus traditioneel denken

  • Probeert nieuwe manieren te vinden om tegen dingen aan te kijken versus gaat uit van de bekende denkpatronen
  • Vermijdt te denken in termen van “goed”of “fout” versus zoekt naar het “juiste”
  • Kijkt in termen van: ‘wat is verschillend’ versus kijkt in termen van: ‘wat is overeenkomstig’
  • Analyseert ideeën om te bepalen hoe deze gebruikt kunnen worden om nieuwe ideeën te genereren versus analyseert ideeën door te kijken waarom ze niet werken
  • Moedigt onlogisch denken door vrije associatie aan. Verwelkomt nieuwe, niet-relevante informatie versus moedigt een logische, stapsgewijze aanpak aan. Relevante informatie is het enige dat telt.

Methoden van lateraal denken die door De Bono zijn bedacht

  • Omgekeerd denken

Voorbeeld: de vraag: “hoe kunnen we het aantal verkeersovertredingen terugdringen?”. Brainstorm met het idee:”hoe kunnen we zo veel mogelijk verkeersovertredingen krijgen?”. Gebruik vervolgens deze ideeën om het aantal overtredingen terug te dringen.

  • Techniek van de cross reference

Vraag experts van andere vakgebieden hoe zij het probleem aan zouden pakken.

  • Analogieën

Voorbeeld. “Als de organisatie een raceauto zou zijn, die wedstrijden moet winnen, wat betekent dit voor de planning van de wedstrijden, voor de voorbereiding, etc.” Vertaal vervolgens deze ideeën terug naar de organisatie en hoe deze de organisatie (ééer) winstgevend kunnen maken.

  • Willekeurige woorden simulatie

Prik een woord uit het woordenboek. Leg vervolgens een link tussen het woord en het probleem.

Bronnen

Literatuur

© Frank van Exter

…over alles wat me inspireert